MENU
Door Ton van Strien

Adriaan Hoppestein

De `tweede Nazo’

Van Mr. Adriaan Hoppestein (1682-?) weten we zo goed als niets. Geboren in 1682 in Leiden moet hij daar rechten gestudeerd hebben; in een rijmbrief uit 1704 van zijn Amsterdamse vriend D.W. (naar alle waarschijnlijkheid Daniël Willink, 1676-1722) heet het dat hij in dat jaar in ’s-Gravenhage `Themis koor betrad’, wat zoveel wil zeggen dat hij er een juridische betrekking aanvaardde. De dichtkunst was voor hem een `speelpop’. Met een overigens nogal clichématig aandoende bescheidenheid verzekert Hoppestein in het voorwoord van zijn in 1718 verschenen bundel Mengelpoëzy, dat het nooit zijn bedoeling was geweest er een groot publiek mee te bereiken. Maar een goede vriend (ook weer zo’n cliché!) had hem hem een drukker aanbevolen, waarna een `beschermheer’ (lees: sponsor) gevonden werd: niemand minder dan Pieter Antonie de Huybert, Heer van Kruiningen, Drost van Muiden en Baljuw van het Gooiland (1693-1780), een verre ambtsopvolger van P.C. Hooft en ook zelf een enthousiast poëzieliefhebber en dichter. Hoppestein aarzelt niet de connectie met Hooft uitdrukkelijk onder de aandacht te brengen: met De Huybert komen de grote tijden van de Nederlandse poëzie weer in zicht! Wat zijn eigen gedichten betreft: die stammen voor een groot deel uit zijn studententijd en de meeste zijn amoureus van aard, en niet alleen die in de afdeling `Minnedichten’. `Zwaantje’, `Fillis’ en `Rozemond’, ze hebben hem hevig bezig gehouden:

Ach Fillis ach! de wellust steekt een toorts
Aan in myn hart, die toeneemt door de winden
van uw gekus: ik voel een minnekoorts
Nu heet, nu koud, myn innigst merg verslinden;
Dat borr’lend zich wil redden uit die nood.
Ach, ach! ik voel een tintelende kilte
Door al myn bloed, ik sterf de zoetste dood,
Gun, dat myn vuur in u, haar lesvuur, smilte!

(gun dat mijn vuur sterft in u, het vuur waarin het geblust wordt)

Men kan zich misschien indenken dat Philip Sweerts (1704-1774) in zijn lofdichtje voor deze `tweede Nazo’ (Ovidius, een van de grootste klassieke liefdesdichters), de dichter tot matiging oproept: `Voorzichtig, Adriaan! […] Jaag den jongeling geen minnekoorts op ’t lijf…’ Tegelijk was dat natuurlijk een groot compliment. Toch heeft Hoppestein nauwelijks naam gemaakt. In het al aangehaalde voorwoord van zijn Mengelpoëzy geeft hij aan dat hij nog heel wat gedichten in voorraad had, die hij graag zou uitgeven als dit deeltje `het geluk zou hebben van aan ’t Gemeen te bevallen’. Maar dat is kennelijk niet het geval geweest, want behalve een paar losse gelegenheidsgedichten is er verder niets van zijn hand verschenen. Alleen al eerder, in 1707, en anoniem, gaf hij een toneelstukje uit: het Kluchtspel van ’t bedroge Vals Jansje. Daarin onderneemt de hoofdpersoon, Jansje, een faliekant mislukte poging om twee op haar verzotte minnaars tegen elkaar uit te spelen. Al doende ruïneert ze haar familie en zo wordt naar goed achttiende-eeuws gebruik de ondeugd gestraft, maar zelf lijkt ze er niet mee te zitten: ze kent nog wel andere heren! Echt gebeurd, in Leiden, staat er bij. De studenten waren gewaarschuwd.

Verder lezen

Behalve de in de dbnl opgegeven lemma’s uit twee biografische woordenboeken zijn mij geen publicaties over Hoppestein bekend. De teksten zijn te raadplegen op google.books.

Terug naar de artikelen