MENU

Mattheus Gansneb Tengnagel

Dichter

Amsterdam 1613 – Amsterdam 1652
Schilder
Arnoud van Halen
Datering
1700 – 1720
Vindplaats
Rijksmuseum, Amsterdam
Artikel
Geen

Maar welk een Eerlyk oor is duld’lyk in Tengnagel
Te hooren dat zoo vuyl uytgieten van Jan Hagel!
Men noemde een aartigheyd van Vinding, Digter-gril,
Dat hy het heymelykst der Sluyk-Min straffen wil.
Men ziet zyn Maneschyn dus gunstig door de ving’ren,
Bordeelen in, en uyt, als huys-genoot doorsling’ren
En ’t geen ‘er omgaat, met der Hoeren monster-rol,
Naam-kundigen op te doen, als afgesloofde Pol,
En Opper Roffiaan, naneef van Juvenalis.
En meer gelyk te zyn den vuyl-bek Martialis,
Als Zedenmeester, met wiens mantel ook dit paar
Bedekken wilde ’t vuylst der woorden, en gebaar
Van ’t Roomsche Hoerendom.

Lambert Bidloo (1720), Panpoëticon Batavum, boek 16.