MENU
Door Ton van Strien

Joan de Haes

Dichter, vertaler, biograaf

Joan de Haes (Rotterdam 1685 – Rotterdam 1723) moet zijn opgegroeid in een huis vol boeken. Zijn vader (Frans de Haes, 1658-1690), die zelf ook dichtte, was een achterneef van Joachim Oudaan en zijn moeder was een dochter van de dichter en historicus Geeraardt Brandt, de schoonzoon van de beroemde Casparus Barlaeus, vriend van Hooft, Huygens en Tesselschade. Na hem trad zijn zoon Frans in zijn voetsporen. In de archieven staan vader en zoon vermeld als koopman te Rotterdam, maar zeker voor Joan moet er nog ruimschoots tijd zijn overgeschoten voor de letteren. Behalve een kloeke dichtbundel omvat zijn werk o.a. een complete Nederlandse vertaling van Philip Sidney’s Defence of Poetry uit 1595 (1712) en een biografie van zijn grootvader Geeraardt Brandt, postuum uitgegeven in 1740.

De Haes debuteerde in 1711 met een verzameling eigen verzen achterin de door hem bezorgde bundel Mengeldichten van zijn vader. Inhoudelijk en formeel sluiten ze daar helemaal bij aan: vrome bespiegelingen en gelegenheidsgedichten vormen de hoofdmoot, en net als zijn vader schreef hij een `Tuinzang’, vol geestelijke lessen uit de natuur, op de wijze van het bekende `O Kerstnacht, schoner dan de dagen’. In 1714 publiceerde hij een bijbels epos over de verrader Judas en later een soortgelijke poëtische bewerking van het verhaal van de profeet Jona. Verder bestaat zijn oeuvre voor het merendeel uit de destijds gebruikelijke gedichten bij bruiloften, geboortes en begrafenissen enzovoort, vooral in de kring van prominente Rotterdammers. Voor een hooggestemd lofdicht op Rotterdam ontving De Haes in 1716  een eerbetoon van de burgemeesters; andere notabelen beloonden zijn werk met een gouden penning. Maar hij schreef niet alleen over en voor anderen. Net als H.K. Poot, die De Haes’ verzamelde gedichten in 1724 uitgaf, maakte De Haes ook zijn eigen leven en ervaringen tot onderwerp van zijn gedichten. Zo kunnen wij nog altijd met hem meeleven als hij zich beklaagt over de harteloosheid van zijn verwanten na de dood van zijn vrouw, gestorven in het kraambed, die zich niet ontzagen een claim te leggen op het erfdeel van de baby. En uit de afdeling `Minnedichten’ vallen de contouren van een liefdesgeschiedenis af te leiden, waarin we zien hoe de weduwnaar (met P.C. Hooft terugblikkend op een `nare nacht van benauwde drie jaren’) een nieuw begin hoopt te maken. We kennen de beminde alleen onder haar poëtische naam `Rozemont’ maar de verwijzingen naar de realiteit lijken concreet genoeg. Tot een huwelijk is het, ondanks ogenschijnlijk veelbelovende ontwikkelingen, niet gekomen. Misschien dat de namen `Gloorroos’ en `Roselle’ staan voor volgende pogingen. Joan de Haes stierf, 37 jaar oud, op 12 februari 1723.

Joan de Haes onderhield nauwe relaties met de Rotterdamse dichter en literatuurpaus David van Hoogstraten. Net als deze keerde hij zich in de zgn. `poëtenoorlog’ van 1713-1716 tegen `Febus aterlingen’ (`bastaarden van Apollo’) die in hun ogen de nagedachtenis van Vondel door het slijk haalden en wilden inruilen voor een slaafse verering van alles wat uit Frankrijk kwam. Zelf is De Haes na zijn dood spoedig vergeten. In het begin van de negentiende eeuw had P.G. Witsen Geysbeek, die bezig was met een omvangrijke bloemlezing uit de Nederlandse literatuur, naar eigen zeggen de grootste moeite iets van De Haes’ werk in handen te krijgen. Hij trof het tenslotte aan `onder een hoop oude boeken, tot scheurpapier bestemd’. Nog erger is dat Geysbeek het daar na een korte inspectie weer teruglegde.

Verder lezen

J.C. Arens, 1962. `Joan de Haes’ kneppel onder de hoenders en Horatius’ tiende satire.’ De Nieuwe taalgids 55.
W.A.P. Smit, 1983. `De Bijbelse epen van Joan de Haes. 1714; 1723.’ In: Kalliope in de Nederlanden. Het Renaissancistisch-klassicistische epos van 1550-1850, deel II.

Terug naar de artikelen