MENU
Door Pieter van Wissing

Johan Pieter Broeckhoff

Met ‘fiksche snaaren’ de ondeugd te lijf

In 1771 loodsten Arnoud de Jongh en iemand die zich ‘Philaletes’ (‘Waarheidsvriend’) noemt, Broeckhoff (ca. 1720-1786) het Panpoëticon Batâvum binnen. Hij was geen jonge hemelbestormer meer. De vijftiger – tot dan toe als dichter vrijwel onopgemerkt – straalde plotseling tot zijn eigen verbazing tussen illustere voorgangers als Vondel, Hooft en Antonides.

Gij vlegt de Deugd een kroon van onverderflijk loof,
Verheft haar heerlijkheid op uwe fiksche snaaren
Wie ziet hier de ondeugd niet ten duistren afgrond vaaren?

dichtte inleider Philalethes (mogelijk Pieter Burman, alias Petrus Burmannus Secundus (1713-1778). Deugd en ondeugd zijn repeterende elementen in Broeckhoffs werk.

Broeckhoff werd omstreeks 1720 in Emmerik geboren, trouwde in Nijmegen in 1750 met Gerarda Stengel (1717-?) met wie hij een dochter kreeg. Hij was koopman, maar wat hij verhandelde is niet duidelijk. Rond 1760 verhuisde het gezin naar Amsterdam waar zijn neef, de bekende boekhandelaar Pieter Jan Entrop zijn werk uitgaf. In 1765 verscheen bij Entrop een nieuwe editie (de zesde druk) van De heilige voorzienigheids Gods in ’t beleid der huwelyken (1618) van Lodewijk van Renesse. Aan dat werk ging een lang drempeldicht van Broeckhoff vooraf vol lof over de schepping en het ‘kristelyk huwelyk’, waarschijnlijk zijn debuut.

dichtkundige-bespiegelingenNa een lange incubatietijd verscheen in 1770 bij Entrop zijn hoofdwerk, dat hem bekend maakte: Dicht- en zedekundige zinnebeelden en bespiegelingen, met 51 gravures van Jan Caspar Philips en Frederik Ottens, vooraf gegaan door lofdichten van onder meer Entrop. Die bundel was ‘aan den Ryn geteeld’ en niet aan ‘het kunstryk Y’; plagerig liet Broeckhoff in zijn werk wel eens weten dat er ook buiten Amsterdam werd gedicht. Zijn inzending voor de prijsvraag over de dankbaarheid uitgeschreven door Kunstliefde spaart geen vlijt werd in 1773 beloond met zilver. Hij was ook lid van Kunst wordt door arbeid verkregen dat hem in 1777 een eervolle vermelding toekende (accessit) voor zijn gedicht over de ware liefde voor het vaderland. Toen kende men Broeckhoff al als de ‘beroemde zededichter’ van Nederland. Jonge dichters als de piëtistische Maria Elizabeth Schreuder (1752-1779) lieten hun werk graag door hem beschaven.

Broeckhoff schreef gelegenheidsgedichten, waaronder een rouwklacht voor zijn vroeg overleden neef en uitgever Entrop in 1772, en leverde bijdragen aan alba amicorum en periodieken als De gezellige. Ook vertaalde hij fabels van Gellert en was hij een van de vertalers van de spectator De mensch. Het mag gezegd: zijn werk is bepaald niet slecht, een sneertje hier, wat humor daar, misschien reden dat er tot 1800 regelmatig uit is geciteerd. Dat deed bijvoorbeeld de predikant Barent Meulman (1759-1798) in zijn bundel De tyd, in brieven (Leiden 1791) (p. 74-75), waarin hij onder meer ‘zuivere Deugd’ propageerde.

Philalethes mag Broeckhoff in zijn lofdicht dan ‘van de sterflijkheid beveiligen en van naam en lof aan de eeuwigheid heiligen’, toch ontkwam ook de zededichter niet aan het lot dat vele Pandichters ondergingen: dood en vergetelheid volgden onverbiddelijk op kortstondige roem. Waarnemend voorzitter Van Limburg viel bijkans in onmacht toen hij in 1786 op de jaarvergadering van KWDAV tussen de treurgordijnen met bevende stem en dito handen het overlijden van Broeckhoff herdacht.

Terug naar de artikelen