MENU
Door An Smets

Cornelius Valerius

Hoogleraar Latijn te Leuven

Cornelius Valerius van Auwater kwam in 1532 naar Leuven om te studeren aan de Artesfaculteit en het Drietalencollege. Zes jaar later keerde hij terug naar Utrecht, waar hij tot 1546 les gaf aan de Latijnse school. Vervolgens werkte hij als privéleraar voor verschillende welgestelde studenten. In de zomer van 1557 werd hij benoemd tot hoogleraar Latijn aan het Drietalencollege in Leuven. Hij bleef er doceren tot aan zijn overlijden in 1578.

Valerius was een bijzonder productief geleerde. Hij publiceerde talrijke handboeken over onder meer logica, retorica, grammatica en ethiek, die een ruime verspreiding kenden. Daarnaast schreef hij ook gedichten, redevoeringen en brieven.

Na zijn dood werden de handschriften met deze teksten bewaard in het Collegium Trilingue. Er waren plannen om ze uit te geven, maar die liepen vast omdat het handschrift moeilijk leesbaar bleek. Pas in de eerste helft van de twintigste eeuw doken de documenten opnieuw op in Duitsland. Uiteindelijk kwamen ze terecht bij de Leuvense hoogleraar Henry de Vocht (1878-1962), die het materiaal ordende in zes afzonderlijke bundels.

Vier daarvan kregen de verzamelnaam Collectanea (mss 1178, 1179, 1180 en 1181)). Deze bundels bevatten een gevarieerde verzameling van lesnotities, gedichten, redevoeringen en brieven. Opmerkelijk is dat het vierde deel, door De Vocht aangeduid als Collectanea C of “AUW C”, vrijwel uitsluitend notities bevat van Theodorus Langius. Langius was tussen 1560 en 1578 hoogleraar Grieks aan het Drietalencollege en een collega van Valerius.

Daarnaast zijn er afzonderlijke bundels met de Carmina (gedichten, ms. 1176) en de andere met Epistolae (brieven, ms. 1177).

De gedichten zijn waarschijnlijk de hoofdreden waarom Cornelius Valerius in het Panpoëticon is opgenomen. De twee belangrijkste werken beschrijven de plechtige ontvangsten van keizer Karel V in Utrecht in 1540 en 1546. Daarnaast bevat de bundel tientallen kortere gelegenheidsgedichten. Daarin worden historische gebeurtenissen herdacht of vrienden en collega’s geëerd. Een aantal van deze teksten zijn obituaria. Andere gedichten hebben eerder een religieus of literair karakter.

De bundel Epistolae omvat conceptversies van 186 brieven, geschreven tussen 1537 en 1561. De meeste zijn opgesteld in het Latijn, enkele in het Nederlands. De brieven waren gericht aan 44 verschillende correspondenten en bieden een unieke inkijk in het intellectuele netwerk van Valerius.

Zijn vriend Bruno van Cuyck ontving met dertig brieven het grootste aantal. Deze werden geschreven tussen 1549 en 1551 en handelen vaak over leerlingen van Valerius en de financiële middelen die nodig waren om hen te huisvesten en te onderwijzen. Op de tweede plaats staat zijn Parijse drukker Michael de Vascovan, aan wie tussen september 1548 en juli 1551 zesentwintig brieven werden gericht. Daarin vraagt Valerius herhaaldelijk naar exemplaren van zijn boeken en uit hij zijn ongenoegen over druk- en correctiefouten. De overige correspondenten ontvingen telkens tussen één en elf brieven. Onder hen bevonden zich verschillende vooraanstaande humanisten en voormalige leraren, waaronder Georgius Macropedius. Deze was overigens ook een vroegere leermeester van Adam Sasbout, die elders in het Panpoëticon aan bod komt.

Verder lezen

Cammaerts, Dieter, Bertrand, Gabrielle & Feys, Xander. 2023. ‘Cornelius Valerius’. In: ODIS. Laatst geconsulteerd op 29.07.2026.

De Vocht, H. 1957. Cornelii Valerii ab Auwater Epistolae et Carmina. Leuven.

Viana Pereira, Valentina, aangevuld door Smets, An. 2026. Autografen van Cornelius Valerius van Auwater (1540-1578).

Terug naar de artikelen